Er was eens, lang geleden, een meisje dat aan een klein meer woonde samen met haar vader en moeder. Ze woonden net een eindje buiten het dorp en haar vader was smid. Regelmatig kwamen er dorpelingen of boeren met een opdracht naar de smederij. Ze waren niet arm en niet rijk. Het was een hardwerkend bestaan maar het meisje was gelukkig. Ze hadden hun appelboom, een geit en een paar kippen.
Op een dag zag het meisje hoe haar moeder heel stil bij het meer stond, het leek wel of ze met iemand sprak. Het meisje vroeg aan haar moeder wat ze aan het doen was. Mijn kind, je bent nog te jong om het te begrijpen. Komt tijd komt raad. Later zul je alles begrijpen. Maar onthoud een ding; vergeet nooit de vrouwe van de meer te danken.” Het meisje wilde nog veel meer vragen maar zag aan het gezicht van haar moeder dat dat zinloos was. En zogezegd zo gedaan, telkens als ze water haalde of verkoeling zocht in het meer prevelde ze een dankwoordje aan de vrouwe al begreep ze niet wie of wat dat dan was.
Op een dag gebeurde er iets verschrikkelijks. Haar vader kwam bij het houthakken onder een grote boom en was op slag dood. Haar moeder stierf korte tijd daarna van verdriet.
Nu was het meisje plotseling helemaal alleen en ze wist niet wat te doen. De voorraad kast slonk snel. Stilletje huilde ze aan de oever van het meer en haar zoute tranen druppelden in het water.
Ineens zag ze het water rimpelen en bewegen, en een blauwgrijzige lichte mist kwam op. Een gedaante van een wonderschone vrouwe verscheen en steeg op uit de lichte mist, ze sprak vriendelijk: “Wees niet bang m’n lieve kind. Droog je tranen. Je zult spoedig op reis moeten gaan. Maar tot die tijd kom je elke dag hier zingen voor mij en ik zal je welgevallig zijn.”
Het meisje had een wonderschone stem en hield van zingen. Elke dag, vroeg in de ochtend bij zonsopgang ging ze naar het meertje en zong voor het water. En telkens kwam de vrouwe tevoorschijn. Het leek wel of ze elke dag meer licht uitstraalde. En het meisje begon zonder dat ze het door had ook te glanzen.
Maar de rampspoed hield nog niet op, er brak in het land een grote droogte uit. Eerst hadden de mensen het nog niet zo door, het was een hete zomer. Maar langzamerhand werden de sloten en putten steeds leger. En er viel maar geen regen. Maar het werd langzaamaan droger en droger, de regen bleef uit, en het werd warmer en warmer. De putten kwamen lager te staan en de riviertjes droogden op.
Nu is het helaas zo dat mensen bij rampspoed vaak behoefte hebben om een zondebok aan te wijzen. En het meisje zo alleen in de lege smidse vonden ze maar vreemd. Een paar families hadden haar een huwelijksaanzoek gedaan, maar het meisje had telkens de vrijers de deur gewezen. Ze vonden het meisje vreemd, en het geheimzinnige licht dat ze uitstraalde hielp daar ook niet echt bij.
Eerst bleef het bij roddelen, maar al gauw gingen er geruchten door het dorp. “Het meisje is een heks, ze heeft haar eigen ouders omgebracht en het hele dorp betoverd zodat er geen water is.”
Ook het meertje werd droger en droger. De vissen hapten naar lucht en het meertje was veranderd in een stinkende dode modderpoel. Op een ochtend sprak de vrouwe van het meer: “Je moet nu gaan meisje. Neem een paar druppels van mijn water mee en ga op reis”. Maar waarheen dan? En wat moet ik doen? “Je zult het vanzelf merken, volg het water. Zoek mijn oorsprong, de bron”
Het meisje was bang maar deed wat haar gezegd was. Snel pakte ze een warm wollen kleed, een stuk brood dat nog over was en schepte uit het laatste modderige water een paar druppels en stopte dat in een klein glazen flesje. Ze was nog maar een paar stappen op weg of daar hoorden ze al de dorpelingen aankomen, woedend schreeuwen ze: “heks, verbrand de heks”.
Bibberend van angst rende ze verder het woud in en rook hoe de smidse vlamvatte. Niet zo slim van de dorpelingen want vanwege de droogte moesten ze hun wraakactie zuur bekopen, binnen een paar uur stond het hele dorp en omliggende bos in lichtenlaaie.
Ze liep dagen en weken moederziel alleen door bergen en dalen, ze at bessen onderweg, likte de douw van de bladeren, plukte wilde appels en noten, het werd langzaamaan herfst. Ze volgde het spoor van een drooggevallen rivier en kwam hoger in de bergen terecht. Af en toe wendde ze zich tot de paar druppels in het flesje in de hoop de vrouwe van het water te zien. Maar ze zag niks, alleen soms een heel zwak blauwachtig schijnsel, of verbeeldde ze zich dat maar? Vaak wilde ze opgeven, het flesje woedend van de berg afsmijten. Of in grote dorst deze laatste kostbare druppels oplikken. Maar telkens kwam dan haar moeder in haar gedachten, die liefdevol en vol vertrouwen naar haar glimlachte. Ach, de mensen wisten niet beter dacht ze dan vergoelijkend. Zo strompelde ze dagen achtereen verder, meer dood dan levend…Totdat ze ineens dacht dat ze het geluid van kabbelend water hoorde.
Soms was het weg en dan ineens kwam het heel luid en duidelijk tevoorschijn. Water. Dorstig likte ze haar pijnlijke en gesprongen lippen. Ze snakte naar een beetje water. Juist toen ze zich door een nauwe spelonk wilde wurmen waarachter ze dacht dat de bron moest zijn…sprong er een wonderlijke schim tevoorschijn.
“Wie ben je en wat kom je doen?”
Het meisje kon niet meer praten van de dorst. En als ze het al kon wist ze ook geen antwoord meer. Ze wist niet wat ze kwam doen en wie ze was, was ze al bijna vergeten.
“Ah, je komt voor de bron. Ik zie het al. Je draagt het licht.”
Licht? Dacht het meisje, welk licht?
“Heb je het water van de vrouwe bij je?”
Het meisje liet het kleine flesje zien. Verbeelde ze het zich nu of kwam daar een blauwachtige gloed tevoorschijn die wel steeds sterker leek te worden?
De raadselachtige schim sprak: Weet je zeker dat je dit wilt wagen? Vele zijn je al voorgegaan, die zagen er sterker en dapperder uit en die hebben het niet gehaald?
Het meisje knikte twijfelend, en daarna wist ze het zeker. Ja ze moest dit doen!
Plotsklaps verdween de gestalte en de rotsen weken als vanzelf uiteen.
Ze kroop door het smalle paadje en daar zag ze de bron. Of althans, wat ervan over was. Er zat een gigantisch draakachtig monster. Zijn lijf bedekt met schubben en stekels. Het leek te slapen maar een van zijn vele gele ogen loerde regelmatig half lodderig rond. Uit zijn grote kwijlende bek kwam een vieze zwavelachtige damp.
“Oh help, wat moet ik doen…”. dacht het meisje bang. Als versteend bleef ze staan
Ze verzamelde al haar moed, en begon zachtjes te zingen. Ze zong van de zon die opkwam, van de geurende aarde in de ochtenddouw, van haar moeders zachte handen op haar voorhoofd, van haar vader die haar optilde toen ze klein was, van de glimlach van het zoontje van de bakker, van de vogels die hoog door de lucht zweefden…ze zong haar hart schoon van al het verdriet, van al de angst en terwijl ze zong begon ze steeds meer te stralen.
Als vanzelf kwam ze dichterbij en streelde zachtjes de kop van het afzichtelijke dier.
En een wonder geschiedde…
Het monster begon te beven, te sidderen, te verschrompelen…en zijn monsterlijke vel viel langzaam van hem af…en daar stond een knappe jongeman die verbaast uit zijn ogen keek.
“Je hebt mijn betovering verbroken. Iedereen wilde mij vernietigen, maar jij hebt mij je liefde en aandacht geschonken. Mijn harnas is gesmolten Ik was een slecht en egoïstische mens en heb vele mensen onrecht aangedaan. Ik veranderde langzaamaan in een monster en kwam hier vast te zitten.
“Ik begrijp alleen niet”, zei de prins, “waarom het water nog niet stroomt. Nu is het monster verdwenen maar de bron stroomt nog niet. “
Het meisje pakte het flesje met de druppels water.
Ze herinnerde zich het zingen voor het water, het danken en het vertrouwen van de vrouwe van het water.
“Misschien moeten we deze waterdruppels gebruiken. En samen zingen” fluisterde ze. “En al onze hoop en dankbaarheid aan de druppels meegeven. Als wij erin geloven dat deze druppels sterk genoeg zijn kunnen ze de bron weer tot leven wekken””
Zo zongen en baden ze voor het water. Met het vertrouwen dat het water altijd stroomt en oneindig is. En het flesje begon lichter en lichter te worden totdat het stralend licht gaf als de felle middagzon. Samen schonken ze de druppels voorzichtig in de bron, en daar kwam plotsklaps als bij toverslag al het water luid klaterend en zingend tevoorschijn, Helend helder water.
En het water stroomde de putten en beken, de rivieren en slootjes weer vol. De planten werden weer groen, de bloemen ontloken en de mensen huilden van blijdschap.
Daar was ook de vrouwe van de bron. “Jullie taak is volbracht sprak ze. Ga de wereld in, en help de mensen zich te herinneren. Vertel ze van dankbaarheid. Dat brengt verlichting en bevrijding”.
Samen reisden ze de wereld door. Door het wekken van de bron was de eerste droogte opgelost, maar niet alle mensen konden met het water omgaan. En op hun reis schoonden het meisje en de prins, vele bronnen en verlichten vele harten.
En als je nu ergens water ziet stromen moet je goed luisteren, dan hoor je in het water het wonderschone zingen van het meisje samen met haar prins
(©werkplaats STAP/Lieke Deelstra Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door print-outs, kopieën, of op welke manier dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.)
Lieke Deelstra-Werkplaats STAP

