Het meisje dat kon vliegen

Het meisje dat kon vliegen

Er was eens een klein en dapper meisje.
Ze woonde met haar familie in een klein huisje aan de rand van de grote stad. Ze hadden het niet breed, maar de zon scheen, de vogels floten en ze genoten van elke dag. Het meisje hield van muziek en zong de hele dag. Overal hoorde ze muziek in. Het kabbelen van de beek zong over het leven, het blaffen van de honden op het plein vertelden van avonturen en het ruisen van de bladeren aan de boom zong een lied over een oude liefde.

Op een dag brak er een groot onheil uit.  Er gingen geruchten dat de oude koning onwel was. Er drongen duistere wezens het land in. Er werd geplunderd en gemoord. De lucht verduisterde met donkere wolken en een grote onophoudelijke winter teisterde het land. De vogels verdwenen, de beken stopten met kabbelen en de bladeren met ruisen. Alles werd stil, dik en duister. Alle kleuren verdwenen. De harten van de mensen werden dof en dor. Het meisje hoorde geen muziek meer om haar heen, daarom deed ze nog meer haar best om de muziek van binnen te laten horen.  De voorraden raakten langzaamaan op. De moeder van het meisje probeerde haar wanhoop te verbergen, maar op een dag was er niks meer te eten dan een paar bruine bonen. Zonder iets te zeggen sneden ze hem in kleine stukjes en aten hem heel langzaam op alsof het een kostbare biefstuk was.

De volgende ochtend, heel vroeg, toen iedereen nog sliep, trok het meisje haar dikste trui en wanten aan en sloop in alle stilte weg. Haar hart klopte in de keel, maar ze wist dat het juist was. Ze moest haar moeder helpen en eten gaan zoeken.  
Ze liep met haar kapotte klompen eindeloos door de sneeuw. Overal waar ze aanklopte deden grauwe en magere mensen open. Soms kreeg ze een kopje warm water, of een beschimmelde korst brood, maar niemand had ook maar iets fatsoenlijks te eten. Toch verloor ze haar goede humeur en levenslust niet. Zingend liep ze verder, en iedereen die maar iets kon missen hielp haar, en zij was blij met alles wat ze kreeg.  
Op een dag, nadat ze dagen had gelopen, kwam ze bij een heel groot kasteel. Daar brandde licht van wel 1000 kaarsen door de ramen, bloeiden de prachtigste bloemen en rook het naar heerlijke gebraden kip. Maar het rare was dat het ondanks al dat licht, en verrukkelijke geuren toch doods, kleurloos en kil was.
De kriebels liepen haar over de rug en ze vroeg aan de wachter wat er toch aan de hand was.
De wachter stond er donker en somber bij. Hij leek wel versteend.
“Wat is er toch aan de hand?”, vroeg ze nogmaals, “hoe kan het dat er hier geen geluk is terwijl er zulke pracht en heerlijk eten is?” Na heel lang wachten kwam er een krakend antwoord. 
“De prinses is ernstig ziek, en de koning is zo verdrietig dat hij al zijn levenslust is verloren.  Er zijn al dokters uit de hele wereld gekomen, maar niemand kan hen genezen. De koning verwaarloost het land in zijn verdriet, daarom is de duisternis binnen gedrongen. En niemand kan meer lachen of geluk ervaren”

Het meisje vroeg, ondanks haar angst voor het vreemde kasteel, of ze nog iemand konden gebruiken en gelukkig; in de keuken hadden ze nog wel een hulpje nodig. En al moest ze dag en nacht werken, kreeg ze alleen maar restjes oud eten, voor haar was het allemaal heerlijk en ze genoot met volle teugen. En alles wat ze maar kon bewaren stopte in een zak onder haar stromatras, voor haar moeder en broertjes en zusjes.  Ze sliep naast het fornuis en poestte, veegde, waste de hele dag dat het een lieve lust was. Ze zong en neuriede daarbij al haar favoriete liedjes. Op een dag, terwijl ze de trappen dweilde, zag ze een ineens bleek meisje wegflitsen in de gang. Nieuwsgierig volgde ze het vreemde meisje en kwam in een verlaten en kille torenkamer. Daar hoorde ze gesnik en gejammer.
Zachtjes kwam ze dichterbij. Om het meisje niet te laten schikken zong ze zachtjes een wiegeliedje, dat ze vroeger altijd voor haar baby broertje zong.

Het meisje keek met betraande ogen op; “Wat is dat?” vroeg ze. “Dat wat er uit je mond komt? “
“Ken je dit niet? Dit is een lied. Een troostlied. “
“Wil je me dit ook leren?”
En zo leerde het meisje de prinses, want dat was ze, een lied. En ze kreeg al snel een klein beetje kleur op haar gezicht. En nog een lied, en nog een. Het haar van de prinses, begon weer te glanzen, haar ogen te stralen en haar wangen werden weer rood. Het meisje zag in een hoek een oude harp staan, daarop speelde ze nog meer liederen. Het meisje begon weer een beetje te stralen. Haar kleur kwam terug. De harp was van haar moeder, de koningin, geweest. Sinds zij plotseling was verdwenen had de prinses al haar levensvreugde verloren en was ze ziek geworden.
Toen ze zo samen aan het zingen en spelen waren kwam de koning onverwachts binnen; “Wat doe jij met mijn dochter?” “Wie ben jij?” “Hoe durf je op mijn vrouws harp te spelen? Scheer je weg.”
Hij was zo boos dat hij zijn wachters riep om haar in het gevang te laten gooien.

Toen begon de harp plotseling te beven en trillen. Er verscheen een wonderlijk licht. De harp begon uit zichzelf een wonderschoon en magisch lied te spelen.
“Wat is dit?” vroeg de koning angstig. “Wie doet dit?” Terwijl de harp haar treurige lied zong veranderde ze heel langzaam in een mooie vrouw.
“Dank je wel meisje”; zei de koningin ontroerd. “Door op mij te spelen uit liefde heb je de betovering verbroken. “

De koning en prinses vielen haar in de armen en overlaadde haar met kussen. Ze waren intens dankbaar dat ze elkaar terug hadden gevonden.
“Je hebt mij gered, nu mag je een wens doen “zei de koningin tegen het meisje.
Het meisje dacht heel lang na, en zei toen bevend: “ik zou graag willen dat al het onheil uit het land verdwijnt, dat de koude winter wordt verbroken, dat iedereen weer te eten heeft, en de vogels weer fluiten”
“Je wens wordt vervuld, en omdat je zo onbaatzuchtig bent geweest zal ik je nog een geschenk geven. Telkens als je zingt zul je kunnen vliegen”
De koningin klapte tweemaal in haar vingers. Het meisje begon te zingen en voelde ineens grote vleugels aan haar armen groeien.
“Je bent vrij, ga maar snel naar huis.”

Dat liet het meisje zich geen tweemaal vertellen. Ze klapte haar vleugels uit, sprong uit de torenkamer en vloog zingend naar huis. Daar zag ze haar moeder al in hun tuintje staan, de was ophangen, en ze rook de geur van een verrukkelijke soep uit de keuken op kringelen…

Ze landde precies naast de rozenstruik en hoorde de vogels al kwetteren, de bijen zoemen en de bladeren ruisen.  
Haar moeder en broertjes en zusjes waren dolblij dat ze weer thuis was. Vanaf die dag   schreef ze elke week een nieuw lied. Over de liefde, het leven en de dood, over vreugde en verdriet, over licht en over de muziek in de harten van de mensen.  De mensen kwamen van heinde en verre om naar haar te luisteren. En telkens wanneer ze luisterden kwam er weer een beetje meer kleur op de wereld. Vaak als ze zo speelde en zong, vloog ze mee op het lied, de wijde wereld in….om nog meer harten van de mensen aan te raken met t licht en de kleur van de muziek.

Lieke Deelstra, Juli 2019